Een pleegkind is geen huisdier en daarom hou ik niet van reizen

Vanaf mijn dertiende ben ik op en af afhankelijk geweest van pleegzorg. Als guppie van dertien kwam ik in de crisisopvang terecht, wat praktisch inhield dat ik op vrijdagavond bij Marlies gedropt werd. Marlies was een vrouw van in de vijftig, alleenstaand, haar kinderen waren al het huis uit. Ze had door een ongeval voortdurend hoofdpijn, was arbeidsongeschikt en dus altijd thuis en ze deed al jaren, ook voor het ongeval en toen haar kinderen nog klein waren aan pleegzorg. Bij Marlies was het top. Ik kon er mijn gangetje gaan, wilde ik praten kon ik praten, wilde ik op mijn kamer zijn was dat ook goed. Marlies vond alles best en was beschikbaar. Ook duidelijk in haar regels maar ach, dat maakte voor mij niet uit. Ik was geen regel-breker. Ik was een verdwaald meisje van dertien dat ondanks alles met veel plezier naar school ging, bleef sporten, niet uitging of fratsen uithaalde met drugs, drank of jongens. Ik was gewoon een beetje nerderig, in de war en de weg kwijt. Marlies was een safe haven. En zou dat in de toekomst nog heel vaak blijken te zijn.

Maar Marlies was geen duurzame oplossing, er moest een vast pleeggezin gevonden worden. En dat was een klus. Want, zo zie ik het nu als volwassenen, veel gezinnen zagen pleegzorg als een goede daad die beloond dient te worden met een stralend pleegkind dat naadloos in je gezin invoegt. En geloof me lieve mensen dat doen pleegkinderen niet. Bedenk maar eens hoe het is als puber een weekje bij je oom en tante te logeren, zelfs dan ben je na een paar dagen al moe van alles dat net even anders is dan thuis, van het proberen aan te passen aan de nieuwe normen en cultuur.

Dus bij het eerste gezin kon ik weer vertrekken nadat ik de euvele brutale moed had gehad om te informeren of ik ook zakgeld zou krijgen. Zooooo ondankbaar! Stel je even voor dat ik een half jaar lang alles maar dan ook alles zelf had geregeld dus voor mij stond zakgeld voor autonomie en zekerheid. Maar voor hun voor ondankbaarheid dus ik kon vertrekken.

Ik ging terug naar Marlies.

Het volgende gezin had even onderschat dat ze hun twee andere dochters niet zomaar samen op een kamer konden zetten dus bij nader inzien hadden ze toch geen plek voor me.

Weer tijdelijk terug naar Marlies waarna ik naar een iets-minder-tijdelijk-maar-voor-maximaal-een-half-jaar naar een liefdevol gezin in Noord Groningen mocht. Ik deed wat ik altijd deed, oftewel in autonomie ging ik gewoon naar school, naar mijn sport, deed mijn huiswerk. Hoe ik in een gezin moest meedraaien daar had ik eigenlijk geen benul van, nooit geleerd om met zijn allen te borrelen, samen de afwas te doen of echt rekening met elkaar te houden. Dus achteraf bezien was ik hun ogen denk ik wel een erge ‘loner’. En dat had wel een prijs, nee ik mocht niet mee op vakantie en ja na dat halve jaar was het wel echt wieberen.

Gelukkig was er een ander gezin, ook in Noord Groningen waar ze graag een pleegkind wilden van puberleeftijd. Ze hadden al een dochter van zes en een weekend-pleegkind van mijn leeftijd.
Kennis gemaakt, ik vond het een walhalla. Deze mensen hadden veel geld en ik werd als een soort nieuw huisdier verwelkomd en naar smaak gemaakt. Ik kreeg een compleet nieuwe outfit, naar de kapper, een nieuwe hippe bril. Het pet-project was begonnen en ik naar hun smaak en stijl geboetseerd.
Maar ja, van binnen was ik nog steeds dat geschrokken, bange verdwaalde meisje. Dus waar dit yuppengezin met dure etentjes en luxe kleren niet op gerekend had, was dat ik enorm in de war raakte als ze toezeggingen niet nakwamen. Dus toen mij een nieuw bureau beloofd werd voor op mijn kamer en ze steeds maar geen tijd hadden om het in elkaar te zetten, werd ik toch wat vervelend gevonden. Ik deed mijn best, maar ik geloof dat de luxe toch vooral was wat het er leuk maakte en ik voelde de muren al wat afbrokkelen. Op een avond vroeg ik: wanneer sturen jullie me weg? Nou dat zouden ze natuurlijk nooit doen zeiden ze! Of ik ze op ideeën gebracht heb of niet, de volgende dag ging ik van school naar mijn hulpverlener in de stad Groningen en daar stonden al mijn spullen in bananendozen opgestapeld. Ze zagen het toch niet meer zitten met me. Vijftien was ik….

Terug naar Marlies. En even naar huis, een zomer bij mijn tante, een weekje in een kindertehuis, weer een tijdje bij Marlies, weer even naar huis. Tot ik 17 was en ging studeren en op kamers ging wonen. 
Ik hou nog steeds niet van reizen, ik vind op vakantie gaan ongeveer het ergste dat er is. En ik kan me heel goed voorstellen dat dit daar aan ten grondslag ligt. Vanaf mijn 17e deed ik het op mijn manier, en zorgde ik voor mijn eigen huis. Zoals ik dat nu al 23 jaar samen doe met de man die begrijpt dat ik zoveel vrijheid nodig heb om me veilig en autonoom te voelen. Samen in een huis waar we wonen met onze drie kinderen waarvan ik hoop en denk dat ze een thuis hebben gekregen van ons waar het écht fijn is. Waar ze mogen komen en gaan. Waar ze welkom zijn en zichzelf kunnen zijn, waar liefde is. En waar iedereen ook op zijn tijd lastig, vervelend, dwars en verdwaald mag zijn. Omdat er liefde is.

Waarom ik het deel? Waarom ik het nú deel? Ik weet het niet. Omdat het zo voelt. En misschien ook om te laten zien dat er zomaar onverwacht een heel kwetsbaar verhaal achter iemand kan zitten. En dat je met zo’n kwetsbaar verhaal ook weer best leuk kan opdrogen.

 

Liefs Cathelijne